Loading...
Larger font
Smaller font
Copy
Print
Contents
Uit De Schatkamer Der Getuigenissen, vol. 1 - Contents
  • Results
  • Related
  • Featured
No results found for: "".
  • Weighted Relevancy
  • Content Sequence
  • Relevancy
  • Earliest First
  • Latest First
    Larger font
    Smaller font
    Copy
    Print
    Contents

    HOOFDSTUK 69—CHRISTUS BELIJDEN OF VERLOOCHENEN

    In ons verkeer in gezelschap, in families, of in welke levensrelaties we ook geplaatst zijn, hetzij beperkt of uitgebreid, zijn vele wegen, waarin we onze Here kunnen belijden en vele wegen, waarin we Hem kunnen verloochenen. We kunnen Hem verloochenen in onze woorden, door kwaad te spreken van anderen, door dwaze praat en ijdel geklap, door zinloze of onvriendelijke woorden, of door uitvluchten en spreken tegen de waarheid. In onze woorden kunnen we belijden dat Christus niet in ons is. In ons karakter kunnen we Hem verloochenen door op ons gemak te zijn gesteld, door de plichten en lasten des levens te ontlopen, welke een ander moet dragen zo wij dat niet doen, en door het haken naar zondige vermaken. We kunnen Christus ook verloochenen door opschik in onze kleding, en wereldgelijkvormigheid of door onhoffelijk gedrag. We kunnen Hem verloochenen door verkleefdheid aan onze eigen zienswijzen of door het eigen-ik te handhaven en te rechtvaardigen. We kunnen Hem ook verloochenen door met onze gedachten steeds te verkeren in een sfeer van smachtende sentimentaliteit of door aanhoudend te pein-zen over ons vermeend hard lot en zware beproevingen.USG1 348.1

    Niemand kan Christus waarlijk voor de wereld belijden, of de geest en de ziel van Christus moeten in hem verblijven. Het is onmogelijk dat uit te delen wat we niet bezitten. De conversatie en de gedragingen moeten een wezenlijke en zichtbare uitdrukking zijn van de genade en waarheid binnen in ons. Wanneer het hart geheiligd, verootmoedigd en nederig is, zullen de vruchten uiterlijk te zien zijn, en dat zal met recht een belijden van Christus zijn. Woorden en beweringen zijn niet genoeg. Gij, 1873, Vol. 3, blz. 331—335
    (Mijmeringen)
    mijn zuster, moet iets meer hebben dan dit. Gij misleidt uzelf. Uw geest, uw karakter en uw daden leggen geen geest van zachtmoedigheid, zelfverloochening en naastenliefde aan de dag. Woorden en betuigingen kunnen veel ootmoed en liefde uitdrukken, maar indien hef gedrag niet dagelijks geregeld wordt door de genade Gods, hebt gij geen deel aan de hemelse gave, hebt ge niet alles verzaakt voor Christus, en eigen wil en genoegens niet opgegeven om Zijn discipel te worden.
    USG1 348.2

    Gij zondigt en verloochent uw Heiland door zwaarmoedige gedachten, door overal moeilijkheden te zien en u onnodig bezorgd te maken. De moeilijkheden van morgen plaatst gij reeds op vandaag, en verbittert uw eigen hart, terwijl ge een drukkende sfeer in uw omgeving verwekt door moeilijkheden te scheppen. De kostbare genadetijd, die God u gegeven heeft om daarin het goede te doen en rijk te worden in goede werken, gebruikt ge al heel onverstandig door het koesteren van nare gedachten en het bouwen van luchtkastelen. Gij laat uw gedachten gaan over onderwerpen, die geen uitkomst of geluk zullen brengen. Uw dagelijks gemijmer is een hinderpaal om een diepe, gezonde, intelligente ervaring in de dingen Gods te verkrijgen, alsmede een morele geschiktheid voor het betere leven.USG1 349.1

    De waarheid Gods in het hart ontvangen is in staat u wijs te maken tot zaligheid. Wanneer ge die gelooft en gehoorzaamt, zult ge genade ontvangen, voldoende voor de plichten en moeilijkheden van vandaag. Wat ge niet nodig hebt, is genade voor morgen. Ge moet voelen, dat ge enkel met vandaag hebt te doen. Behaal de overwinning voor vandaag; verloochen het eigen-ik voor vandaag; waak en bid voor vandaag, overwin in God voor vandaag. Onze omstandigheden en ons omringende toestanden, de veranderingen, die zich dagelijks om ons heen voltrekken, en het geschreven Woord Gods, dat alle dingen onderscheidt en beproeft — dat alles is voldoende om ons onze plicht en wat wij elke dag precies doen moeten, te leren. In plaats van altijd maar te peinzen over dingen, waarvan gij geen profijt zult heb ben, doet ge beter dagelijks de Schriften te onderzoeken, en in het dagelijkse leven de plichten te vervullen, die u niet aanstaan, maar die toch door iemand gedaan moeten worden.USG1 349.2

    Larger font
    Smaller font
    Copy
    Print
    Contents