Go to full page →

SCHREDEN NAAR CHRISTUS SC i

GODSVERTEOUWEN IN GEVAREN SC 4

Wie in de schuiloogsten is gezeten,
Vernacht in de schaduw des Almchtigen.
IK zeg tot de Here: Mijn toevlucht en mijn vesting,
mijn God, op Wie ik vertrouw.
Want Hij is he, die u redt van de strik des vogelvangers,
Van de verderfelijke pest.
Met Zijn vleugelen beschermt Hij u,
En onder Zijn vleugelen vindt gij een toevlucht;
Zijn trouw is schild en oanster.
Gij hebt niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht,
Voor de pijl die des daags vliegt;
Voor de pest die in het duister rondwart,
Voor her verderf dat op de middag vernielt.
Al vallen er duizend aan uw zijde,
En tien duizend aan uw rechterhand,
Tot u zal het niet genaken;
Slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen,
En de vergelding aan de goddelozen zien.
Want Gij, o Here, zijt mijn toevluchit.
De Allerhoogste hebt gij tot uw schutse gesteld;
geen onheilzul u treffen,
en gren plaag zal uw tent naderen;
want Hij zal aangaande u Zijn englelen gebieden,
dat zij u behoeden op al uw wegen;
op de handen zullen zij u dragen,
opadat gij uw voet niet aan een steen stoot.
Op leeuw en adder zult gij treden,
Jonge leeuw en slang zult gij vertrappen.
Omdat hij Mij zeer bemint, zal Ik hem evrijden;
Ik zal hem beschutten, omdat hij Mijn NaanKent.
Roept hij Mij aan, Ik zal hem verzadigen,
Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn,
Ik zal hem uitredden en tot ere brengen,
Met lengte van dagen zal ik hem verzadigen,
En Ik zal hem Mijn heil doen zien, SC 4.1