Go to full page →

HOOFDSTUK 21: DE KERK EN DE WERELD VERENIGD EG 268

Hierop zag ik Satan met zijn engalen beraadslagen, en overwegen wat zij gewonnen hadden. Het is waar, zij hadden sommige angstvallige zielen door de vrees voor de dood afgehouden van de waarheid aan te nemen; maar velen, zelfs de meest kleinhartigen, hadden de waarheid aangenomen, en daarop was hun vrees en beschroomdheid onmiddellik van hen weggenomen. Wanneer dezulken getuigen waren van de dood van hun broeders in het geloof, en hun standvastigheid en geduld aanschouwden, werden zij vrijmoedig en onbevreesd. En wanneer zij opgeroepen werden om hun eigen leven af te leggen, handbaafden zij hun geloof met een gedulden standvastigheid, die zelfs hun moordenaars deden sidderen. Satan en zijn engelen beslisten, dat er een manier was om zielen te vernielen, die een betere uitslag beloofde, en waar de uitkomst in het eind zekerder van was. Ofscho n de christenen moesten lijden, deed hun standvastigheid, en de levendige hoop, die hen troostte, de zwaksten sterk worden, en stelde hen in staat om de pijnbank en de vlammen onbevreesd tegemoet te gaan. Zij volgden de edele houding van Christus na, die Hij voor Zijn moordenaars aan de dag legde, en door hun getrouwheid en de heerlikheid Gods, die op hen rustte, overtuigden zij velen van de waarheid. EG 268.1

Satan besloot dus, dat hij zich op een zachtere wijze openbaren moest. Hij had reeds de leer van de Bijbel vervalst, en overleveringen, die miljoenen tot ondergang zouden strekken, hadden diep wortel geschoten. Zijn haat inhoudende, besloot hij zijn onderdanen niet tot zulk een bittere vervolging aan te zetten, maar de kerk ertoe te leiden om te streven naar verschillende overleveringen, in plaats van naar het geloof, dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd was. Toen hij er de kerk toe overgehaald had om gunst en eerbetoon van de wereid aan te nemen onder voorwendsel van weldaden te ontvangen, begoa die Gode minder welgevallig te zijn. Nalatende om de naakte waarheid te verkondigen, waardoor de liefhebbers der wellusten en de vrienden der wereld buitengesloten werden, verloor de kerk langzamerhand zijn kracht. EG 269.1

De kerk is nu niet het afgezonderde en eigen verkregen volk, dat hij was, toen het vuur van de vervolging tegen hem ontstoken was. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede, fijne goud zo veranderd! Ik zag dat indien de kerk immer zijn biezonder, heilig karakter behouden had, de kracht des Heiligen Geestes, die aan de discipelen verleend werd, nog in de kerk zou zijn. De kranken zouden geheeld, duivelen zouden bestra't en uitgeworpen warden, en do kerk zou machtig zijn, en een verschrikking voor zijn vijanden. EG 270.1

Ik zag een groot gezelschap van mensen, die de naam van Christus beleden, maar God rekende hen niet als de Zijnen. Hij had geen welgevallen aan hen. Satan scheen een godsdienstig karakter aan te nemen, en stemde er gaarne in toe, dat de mensen zouden menen, dat zij christenen waren. Hij was zelfs verlangend, dat zij in Jezus zouden geloven, in Zijn kruisiging, en Zijn opstanding. Satan en zijn engelen geloven zelven in dit alles, en zij beven. Maar indien dit geloof niet aanzet tot het doen van goede werken, en er degenen, die het belijden, niet toe drijft om het zelfverloochenende leven van Christus na te volgen, wordt Satan niet verontrust; want zij nemen slechts de naam van christen aan, terwijl hun harten nog vleselik zijn; en hij kan ze zelfs beter in zijn dienst gebruiken, dan wanneer zij niets beleden. Hun gebreken verbergende onder de naam van christen, gaan zij het leven door met hun ongeheiligde natuur, en hun boze hartstochten blijven onbeteugeld. Dit leidt er toe, dat de ongelovige de schuld van hun onvolmaaktheid op Christus werpt, en laat degenen, die een reine en onbevlekte godsdienst hebben, een kwade naam krijgen. EG 270.2

De predikanten prediken zachte woorden om belijdende christenen, die bedenken wat des vlezes is, te behagen. Zij durven Jezus en de scherpe waarheden van de Bijbel niet prediken, want indien zij zulks deden, dan zouden zodanige belijders niet in de kerk blijven. Maar daar velen onder hen rijk zijn, moeten zij in de kerk gehouden worden, ofschoon zij niet meer geschikt zijn om daar te wezen, dan Satan en zijn engelen zelf. Dit is juist zoals Satan het gaarne ziet. Men laat de godsdienst van Jezus in de ogen van de wereld populair en achtenswaardig schijnen. Aan de mensen wordt gezegd, dat zij, die voorgeven godsdienstig te zijn, meer geëerd zullen worden in de wereld. Zulk een leer is zeer verschillend van die van Christus. Zijn leer en de wereld kunnen geen vrede samen houden. Zij, die Hem volgden, moesten de wereld opgeven. Zulke zachte woorden hebben hun oorsprong bij Satan en zijn engelen. Die vormden het plan, en naam-belijders voerden het uit. Aantrekkelike fabelen werden geleerd en met graagte aangenomen, en schijnheiligen en openlike zondaren werden leden van de kerk. Indien de waarheid in zijn zuiverheid gepredikt was geworden, dan zou die spoedig deze klasse van mensen hebben buitengesloten. Maar er was geen onderscheid tussen de belijdende volgelingen van Christus en de wereld. Ik zag dat indien de valse bedekking afgescheurd was geworden van de leden der kerken, er zulk een ongerechtigheid, laagheid, en bederf aan het licht gekomen zou zijn, dat het bescheiden kind Gods niet geaarzeld zou hebben om deze belijdende christenen bij hun rechte naam te noemen, dat is, kinderen van hun vader, de duivel; want zij deden zijn werken. EG 270.3

Jezus en het ganse hemelhQir zagen met afkeer op het toneel neer; en toch had God een boodschap voor de kerk, die heilig en belangrijk was. Indien die aangenomen werd, zou hij een degelike hervorming in de kerk teweegbrengen, en het levende getuigenis weer doen horen, waardoor de kerk gereinigd zou worden van schijnheiligen en zondaren, en Gode wederom welgevallig zou worden gemaakt. EG 271.1

*****