Go to full page →

HOOFDSTUK 20: DE DROOM VAN WILLIAM MILLER EG 90

(Aangehaala in Hoofdstuk VIII.) EG 90

Ik droomde dat God mij door een onzichtbare hand een zonderling kistje zond, dat tien duim lang was bij zes in het vierkant, gemaakt van ebbehout, en wonderlik ingelegd met paarlen. Aan het kistje was een sleutel gehecht. Onmiddellik nam ik de sleutel en opende het kistje, toen ik tot mijn verwondering allerlei soorten van juwelen, diamanten, edelstenen, en gouden en zilveren geldstukken van alle grootten en waarde zag, die prachtig geschikt lagen, ieder op zijn eigen plek in het kistje; en op die wijze geschikt weerspiegelden zij een licht en heerlikheid, die alleen door de zon geevenaard wordt. EG 90.1

Ik achtte, dat het mijn plicht niet was om alleen te genieten van dit wonderbare schouwspel, ofschoon mijn hart overgelukkig was bij het zien van de glans, schoonheid en waarde van de inhoud. Ik plaatste het derhalve op een tafel in het midden van mijn kamer, en liet weten, dat alien, die zulks wensten, konden komen om het heerlikste en schitterendste ste schouwspel te zien, dat een mens immer in dit leven gezien heeft. EG 90.2

De mensen begonnen te komen, in de aanvang weinig in getal, maar toenemende tot er een menigte was. In het begin toen zij in het kistje keken, verwonderden zij zich, en juichten van blijdschap. Maar toen de toeschouwers toenamen, begon iedereen moeite te maken met de juwelen, en ze uit het kistje te nemen en op de tafel rond te leggen. EG 90.3

Ik begon te denken, dat de eigenaar bet kistje en de juwelen weer van mij terug zou eisen; en dat, indien ik toeliet, dat ze rondgelegd werden, ik ze nimmer weer op hun plaats in het kistje zou kunnen krijgen, gelijk ze geweest waren; en ik voelde dat ik de verantwoordelikheid ervan nooit zou kunnen dragen, want die zou zeer groot zijn. Toen begon ik te p'eiten met de mensen, dat ze ze niet zouden aanraken, en ook niet uit het kistje zouden nemen; maar hoe meer ik pleitte, des te meer legden zij ze rond;—en nu schenen zij ze zelfs door de gehele kamer te verspreiden, en op de vloer en op ieder meubelstuk in de kamer EG 91.1

Toen zag ik, dat onder de echte juwelen en geldstukken, die zij verspreid hadden, er een ontelbaar aantal onechte juwelen en nagemaakte geldstukken was. Ik was zeer vertoornd over hun laag gedrag en ondankbaarheid, en bestrafte hen erover en verweet het hun; maar hoe meer ik bestrafte, des te meer verspreidden zij de onechte juwelen en nagemaakte geldstukken onder de echte. EG 91.2

Toen werd ik bitter in mijn gemoed, en begon mijn lichaamskracht te gebruiken om hen uit de kamer te duwen; maar terwijl ik er een uitstootte, kwamen er drie anderen binnen, en brachten vuil, en houtkrullen en zand, en allerlei rommel in, totdat elk echte juweel, diamant, en geldstuk er mede bedekt was, en ze niet langer te onderscheiden waren. Zij braken mijn kistje ook stuk, en strooiden de stukken rond in het vuil. Ik dacht dat niemand acht sloeg op mijn vedriet of mijn toorn. Ik werd gans en al hopeloos en moedeloos, en zat neder en weende. EG 91.3

Terwijl ik op die wijze weende en over mijn groot verlies en mijn verantwoordelikheid treurde, gedacht ik aan God, en bad ernstig tot Hem, om mij hulp te zenden. EG 91.4

On middellik opende zich de deur en een man trad de kamer binnen, en al de mensen gingen er uit; hij had een bezem in zijn hand, opende de vensters, en begon het vuil en de rommel uit de kamer op te vegen. EG 92.1

Ik riep hem toe om het niet te doen, want dat er kostbare juwelen onder de rommel lagen. EG 92.2

Hij zei tot mij, “Vrees niet,” want hij zou “er zorg voor dragen.” EG 92.3

En toen, terwijl hij het vuil en de rommel, de onechte juwelen en nagemaakte geldstukken opveegde, steeg het alles samen op, en dreef als een wolk het venster uit, en de wind voerde het met zich mee. In het gewoel sloot ik mijn ogen een ogenblik; toen ik ze weer opendeed, was al het vuilnis weg. De kostbare juwelen, de diamanten, de gouden en zilveren geldstukken lagen overal door de kamer verspreid. EG 92.4

Hij plaatste toen een kistje op de tafel, veel groter en prachtiger dan het vorige, en nam de juwelen, de diamanten en de geldstukken met handenvol op, en wierp ze in het kistje, totdat er niet een ove gebleven was—ofschoon sommige van de diamenten niet groter waren dan de punt van een speld. EG 92.5

Toen riep hij mij om te “komen en te zien.” EG 92.6

Ik keek in het kistje, maar mijn ogen werden verblind door hetgeen ik zag. Zij blonken met tienmaal groter heerlikheid dan in*het eerst. Ik dacht dat ze geschuurd wraren in het zand door de voeten van die boze mensen, die ze verstrooid en in het stof vertrapt hadden. Zij waren in prachtige orde in het kistje geschikt, iedere steen op zijn plaats, zonder dat de man, die ze er in wierp, er enige zichtbare moeite toe deed. Ik juichte uit pure blijdschap, en die juichtoon deed me ontwaken. EG 92.7