Go to full page →

HOOFDSTUK 101—TESTAMENTEN EN LEGATEN USG1 575

“Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen.” Mattheüs 6:19, 20. Zelfzucht is een zieleverdervende zonde. Hieronder kan men hebzucht plaatsen, hetgeen afgoderij is. Alle dingen behoren God toe. Al de welvaart, die we genieten is het resultaat van de Goddelijke goedgunstigheid. God is de grote, milddadige gever. Wanneer Hij een deel opeist van hetgeen Hij ons zo rijkelijk heeft doen toekomen, is dat niet opdat Hij door onze gaven verrijkt zal worden, want Hij heeft van ons niets nodig; maar dat doet Hij opdat wij een gelegenheid krijgen om zelfverloochening, liefde, en sympathie voor onze medemensen te beoefenen en zodoende in het geestelijke op een hoog niveau te komen. USG1 575.1

Door alle eeuwen heen, vanaf Adams tijd tot de onze, heeft God Zijn rechten doen gelden op het bezit van de mens, zeggende: Ik ben de rechtmatige Eigenaar van het heelal; wijd Mij derhalve de eerstelingen uwer vruchten, betaal een eerlijke cijns, geef Mij terug wat Mijn eigendom is, daarmede Mijn souvereiniteit erkennende, en gij zult vrij over het restant kunnen beschikken en u verheugen in Mijn goedgunstigheden, en Mijn zegen zal met u zijn. “Vereer de Here van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten.” Spreuken 3 : 9. USG1 575.2

Gods eisen staan voorop. Wij doen niet naar Zijn wil, indien we Hem schenken wat overgebleven is van onze inkomsten nadat in al onze veronderstelde behoeften is voorzien. Alvorens een deel van onze verdiensten voor levensbehoeften wordt gebruikt, moeten we dat gedeelte, waar Hij recht op heeft, apart leggen en Hem overdragen. USG1 575.3

1880, Vol. 4, blz. 476—485 In de oude bedeling lag er voortdurend een dankoffer brandend op het altaar als een toonbeeld van ‘s mensen aanhoudende verplichting tegenover God. Wanneer we in het verdienen van ons brood voorspoed hebben, dan is dat omdat God ons zegent. Een gedeelte van deze inkomsten moet gewijd worden aan de armen en een groot gedeelte moet bestemd worden voor Gods zaak. Wanneer dat, wat God eist, Hem wordt teruggegeven, zal het overblijvende geheiligd en gezegend worden voor ons persoonlijk gebruik. Maar wanneer een mens God berooft door achter te houden wat Hij eist, dan rust Zijn. vloek op het geheel.

God heeft mensen gesteld als kanalen, waardoor Zijn gaven moeten vloeien om het werk te onderhouden, dat naar Zijn wil gedaan moet worden in de gehele wereld. Hij heeft hun gelden gegeven om met verstand te gebruiken, niet om die in alle gierigheid op te potten of om op buitensporige wijze te spenderen aan luxe en zelfzuchtige bedoelingen bijvoorbeeld in kleding of in de opschik van hun huizen. Hij heeft hun middelen toevertrouwd, om daarmede Zijn dienstknechten te onder-houden in hun taak als predikanten en zendelingen, als ook voor de instandhouding der instellingen, die Hij onder ons heeft opgericht. USG1 576.1

Die zich verheugen in het kostelijke licht der waarheid moeten een brandend verlangen bezitten, mee te werken dat dit overal verspreid wordt. Er zijn enkele trouwe banierdragers, die voor hun plicht nooit terugdeinzen, noch verantwoordelijkheden van zich af schuiven. Hun harten en beurzen staan altijd open wanneer offers gevraagd worden om Gods zaak vooruit te brengen. Ja, sommigen schijnen bereid meer dan hun plicht te willen doen, als waren ze bevreesd een kans, om hun gedeelte op de bank des hemels te beleggen, voorbij te laten gaan. USG1 576.2

Dan zijn er weer anderen, die liefst zo min mogelijk willen doen. Zij verbergen hun schat in de grond, of verkwisten gelden ten eigen bate, en geven mopperend een aalmoes om Gods werk te onderhouden. Wanneer ze God een belofte of een gelofte doen, dan hebben ze er later spijt van, en stellen de betaling uit zo lang ze maar kunnen, en liefst maken ze zich er helemaal van af. Ze beknibbelen op hun tienden wat ze maar kunnen, als waren ze bang dat wat ze God teruggeven, verloren is. Onze verschillende instituten kunnen om geld verlegen zijn, maar deze klasse van mensen doet alsof het hun niets kan schelen of ze nu bloeien of niet. En nochtans zijn ze Gods instrumenten, waarmede de wereld verlicht moet worden. USG1 576.3