Ellen G. White Writings

<< Back Forward >>

«Back «Prev. Pub. «Ch «Pg   Pg» Ch» Forward»

Ereste Geschriften, Page 345

HOOFDSTUK 39: DE AARDE WOEST GELATEN

Mijn aandacht werd wederom op de aarde gericht. De goddelozen waren uitgeroeid, en hun dode lichamen lagen op de oppervlakte der aarde. De bewoners van de aarde waren bezocht geworden door Gods toorn in de zeven laatste plagen, die hen hun tongen deed kauwen van pijn, en God lasteren. De valse herders waren de biezondere voorwerpen van Jehova”s toorn geweest. Hun ogen waren in hun kassen verteerd en hun tongen in hun monden, terwijl zij op hun voeten stonden. Nadat de heiligen door de stem van God waren verlost geworden, koelde de menigte der goddelozen hun woede onder elkander. De aarde scheen overstroomd te zijn van bloed, en dode lichamen lagen van het ene eind ervan tot het andere.

De aarde zag eruit als een woeste wildernis. Steden en dorpen, die door de aardbeving waren ingestort, lagen in puinhopen. De bergen waren uit hun plaats bewogen, en hadden grote gaten achtergelaten. Ruwe rotsblokken, die door de zee opgeworpen, of van de aarde zelf losgescheurd waren, lagen overal over de oppervlakte van de aarde verspreid. Grote bomen waren ontworteld, en lagen over de grond. Hier moet duizend jaren lang de woonplaats zijn van Satan en zijn boze engelen. Hier zal hij gevangen zijn, en ronddwalen over de ongelijke oppervlakte van de aarde, om het gevolg van zijn opstand tegen Gods wet te aanschouwen. Duizend jaren lang kan hij genieten van de vruchten van de vloek, waar hij de oorzaak van geweest is. Tot da aarde alleen beperkt, zal hij het voorrecht niet hebben om naar andere planeten te gaan, om degenen, die niet gevallen zijn, te verzoeken en te hinderen. Gedurende deze tijd lijdt Satan ontzettend. Sedert zijn val heeft hij zijn boze karaktertrekken voortdurend vrij spel kunnen laten. Maar dan is hij beroofd van zijn macht, en

«Back «Prev. Pub. «Ch «Pg   Pg» Ch» Forward»