Loading...
Larger font
Smaller font
Copy
Print
Contents
Patriarchen En Profeten - Contents
  • Results
  • Related
  • Featured
No results found for: "".
  • Weighted Relevancy
  • Content Sequence
  • Relevancy
  • Earliest First
  • Latest First
    Larger font
    Smaller font
    Copy
    Print
    Contents

    HOOFDSTUK XVI—JAKOB EN EZAU.

    IN Jakob en Ezau, de tweelingszonen van Izaak, bespeurt men een scherp kontrast, beide ten aanzien van hun karakter en wandel. Dit verschil werd door eenen engel vóór hunne geboorte alreede aangekondigd. Toen, Rebekka, in antwoord op haar mistroostig gebed, de belofte ontving, dat zij twee zonen ontvangen zou, openbaarde hij haar tevens hunlieder toekomstige geschiedenis, zeggende, dat beiden het hoofd van groote volken zouden worden, maar tevens dat de eene den andere in grootheid overtreffen zou, en dat de jongste de meerdere zou zijn.PEP 164.1

    Ezau wies op tot een zelfzuchtig man, die slechts in het tegenwoordige belang stelde. Stug en ongebonden van natuur vond hij zijn hoogst genot in de jacht en werd daarom een jager. Evenwel was hij ‘s vaders lieveling. De stille, vredelievende herder gevoelde zich bekoord door de driestheid en levendigheid van zijn oudsten zoon, die schromeloos over de bergen en door de woesteinen omzwierf, zijnen vader bij de thuiskomst op wildbraad vergastte, en boeiende verhalen zijner avonturen vertellen kon. Jakob, nadenkend, vlijtig, en nauwgezet, meer bedacht op de toekomst dan op het heden, zocht zijn vermaak te huis, en hield zich onledig met den landbouw en de veeteelt. Zijne trouwe volharding, spaarzaamheid, en voorzorg werden door zijne moeder op prijs gesteld. Hij bezat een zeer lieftallig karakter; daarbij was zijner moeders gelukkig leven meer aan zijne zachtzinnige en onophoudelijke liefkozingen verschuldigd, dan aan de wilde en toevallige liefdeblijken van Ezau. Dientengevolge beminde Rebekka Jakob meer.PEP 164.2

    De beloften aan Abraham gedaan en aan zijnen zoon bevestigd werden door Izaak en Rebekka beschouwd als het grootste voorwerp van hun verlangen en hoop. Met deze beloften waren Jakob en Ezau bekend gemaakt. Hun was geleerd, dat aan de eerstgeboorte vele voorrechten verbonden waren, omreden daarvan zoowel de geestelijke voorrang als de erfenis der wereldlijke goederen afhing. Deszelfs bezitter was de priester van het huisgezin; en uit zijn nakroost zou de Verlosser der wereld geboren worden. Daarentegen stond deszelfs bezitter onder dure verplichtingen. Die deze zegeningen beërfde, moest zijn leven aan den dienst van God wijden. Evenals Abraham moest hij de Goddelijke inzettingen bewaren. In het aangaan van zijn huwelijk, in zijne huiselijke betrekkingen, mitsgaders in zijn maatschappelijk leven was hij gehouden Gods wil te raadplegen.PEP 164.3

    Izaak had deze voorrechten en voorwaarden aan zijne zonen bekendgemaakt, en hun duidelijk te verstaan gegeven, dat, wijl Ezau de oudste was, het eerstgeboorterecht hem toekwam. Maar Ezau zag geene aannemelijkheid in de godsvrucht, en bezat geene liefde voor het godsdienstige leven. De voorwaarden, waaraan het geestelijke geboorterecht voldoen moest, waren niet strelend, ja zelfs een hatelijk juk voor hem. Gods wet, waarop de voorwaarde van het verbond met Abraham rustte, was voor Ezau een juk der dienstbaarheid. Dewijl hij zijne lusten wilde botvieren, zoo begeerde hij niets meer dan vrijheid om naar eigen believen te handelen. Hij zocht zijn vermaak in macht en rijkdom, feesten en zwieren. Hij schepte al zijn behagen in de onbeteugelde vrijheid van zijn onafhankelijk, zwervend leven. Rebekka herinnerde zich de woorden van den engel, en doorzag de karakters harer zonen beter dan Izaak het deed. Zij was er van overtuigd, dat Jakob de erfgenaam der Goddelijke belofte zou worden. Daarbij herinnerde zij Izaak aan ‘t geen de engel gezegd had; maar de vader beminde den oudsten zoon, en kon niet van zijn voornemen worden afgebracht.PEP 165.1

    Jakob had trouwens ook van zijne moeder gehoord, dat hij het recht der eerstgeboorte, volgens Goddelijke toezegging, onvangen zou, en gevoelde dientengevolge een brandend verlangen naar de voorrechten, die hem ten deele zouden vallen. Het was niet zoo zeer het verlangen om in het bezit van zijns vaders goed gesteld te worden als wel om de geestelijke zegeningen deelachtig te worden. Om gelijk de rechtvaardige Abraham omgang met God te hebben, de offeranden der verzoening voor zijn gezin te offeren, de voorzaat van het uitverkoren volk en den beloofden Messias, mitsgaders de erfgenaam der zegeningen des verbonds te zijn, — ziedaar de voorrechten en de eerbewijzen, waarnaar zijn sterk verlangen haakte. Zijn oog was steeds op de toekomst gevestigd, en tevens poogde hij de beteekenis der onzichtbare zegeningen te begrijpen.PEP 165.2

    Met een innig verlangen luisterde hij naar alles, wat zijn vader betreffende het geestelijke geboorterecht vertellen kon; overigens onthield hij ook alles, wat hij van zijne moeder geleerd had. Des daags en des nachts waren zijne gedachten er bij bepaald, zoodat zijn leven er eindelijk in verzwolgen werd. Maar terwijl hij de eeuwige van hooger waarde dan de tijdelijke zegeningen schatte, zoo had Jakob intusschen nog geene ondervindinglijke kennis van den God, dien hij vereerde. Zijn hart was nog niet door de Goddelijke genade veranderd. Daarbij wist hij ook, dat hij geen aanspraak op de belofte had, zoolang Ezau het recht der eerstgeboorte bezat; daarom beraamde hij voortdurend plannen, waardoor hij bezitter der zegeningen kon worden, die zoo hoog bij hem in waarde stonden, maar door zijnen broeder geminacht werden.PEP 166.1

    Toen Ezau op zekeren dag moede van de jacht thuis kwam, begeerde hij de spijze, welke Jakob toebereidde. De laatstgenoemde, in wien steeds ééne gedachte de bovenhand had, nam deze gelegenheid te baat en weigerde den honger zijns broeders te stillen mits deze hem zijn eerstgeboorterecht daarvoor wilde afstaan. “Zie, ik ga sterven,” riep de onbezonnen, zelfzuchtige jager uit, “en waartoe mij dan de eerstgeboorte?”1Gen. 26:32, 34. Voor een maal van dat roode kooksel verkocht hij zijn eerstgeboorterecht, en bezwoer het ten overvloede nog met eenen eed. Had hij een oogenblik willen wachten, dan had hij eten in zijns vaders tent kunnen krijgen; maar de begeerte om oogenblikkelijk aan zijn verlangen te voldoen bracht hem er toe om de heerlijke erfenis, welke God den vaderen gegeven had, te verkoopen Hij leefde slechts voor het heden. Hij was aanstond gereed om het hemelsche voor het aardsche op te offeren; om toekomstig geluk te verruilen voor het genot van een oogenblik.PEP 166.2

    “Alzoo verachtte Ezau de eerstgeboorte.” Deze overdracht was voor hem eene ontheffing. Nu stond hem niets meer in den weg; hij kon nu naar willekeur handelen. Hoe velen verkoopen tegenwoordig nog hun recht op eene zuivere, en onverwelkelijke erfenis in den hemel voor losbandig vermaak, verkeerdelijk vrijheid genaamd!PEP 166.3

    Aangezien Ezau zich steeds door de uiterlijke en wereldsche bekoorlijkheden liet verleiden, zoo nam hij zich twee van Heths dochters tot vrouwen. Deze waren afgodendienaressen, en derhalve voor Izaak en Rebekka eene bitterheid des geestes. Eén der voorwaarden van het verbond der belofte was, dat het uitverkoren volk zich niet met de Heidenen verzwageren zou, en die voorwaarde had Ezau overtreden; desniettegenstaande bleef Izaak bij zijn voornemen om hem het eerstgeboorterecht te geven. Rebekka’s redenen, Jakobs innig verlangen naar dien zegen, noch Ezau’s onverschilligheid omtrent zijne verplichtingen konden den vader van besluit doen veranderen.PEP 166.4

    Jaren verliepen er, totdat Izaak, nu oud en blind, en den dood tegemoet ziende, eindelijk besloot om niet langer te wachten met den zegen aan zijn oudsten zoon te schenken. Van Jakob en Rebekka’s tegeningenomenheid bewust, zoo nam hij zich voor deze ceremonie in stilte te verrichten. Wijl men gewoon was een feestmaal bij zulke gelegenheden te geven, beval de patriarch Ezau, zeggende: “Ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen, . . . opdat mijne ziel u zegene, eer ik sterve.”2Gen. 27:3, 4.PEP 167.1

    Rebekka vermoedde wat er gaande was. Zij hield zich tevens ook overtuigd, dat dit niet overeenkomstig Gods geopenbaarden wil was. Er bestond groot gevaar, dat Izaak Gods misnoegen over zich behalen zou door den rang, dien Hij den jongsten zoon toegezegd had, niet toe te kennen. Te vergeefs had zij beproefd Izaak van zijn voornemen af te brengen, en daarom bediende zij zich van eene list.PEP 167.2

    Zoodra Ezau ter jacht was uitgegaan, haastte Rebekka zich om haar plan ten uitvoer te brengen. Zij verhaalde aan Jakob wat er was voorgevallen, en drong bij hem aan om zich te haasten, opdat de zegen niet eindelijk en onherroeplijk aan Ezau mocht worden gegeven. Zij verzekerde haren zoon tevens, dat, indien hij hare bevelen wilde nakomen, hij den van God beloofden zegen verwerven kon. Jakob stemde niet gereedelijk in met het plan, dat zij voorstelde. Hij kon er haast niet toe overgaan om zijnen vader op zulk eene wijze te bedriegen. Het scheen hem toe, alsof hij door zulk eene handelwijze eerder eenen vloek dap eenen zegen over zich zou brengen. De bezwaren werden hem echter ontnomen, en daarom volgde hij zijner moeders raad op. Het was niet zijn voornemen om opzettelijk te liegen, maar toen hij eindelijk bij zijnen vader gekomen was, kon hij niet weer terug en ontving den verlangden zegen door bedrog.PEP 167.3

    Jakob en Rebekka slaagden wel in hun voornemen, maar zagen hunne bedriegelijke handeling tevens ook met moeite en verdriet beloond. God had Jakob het eerstgeboorterecht toegezegd, en zou Zijn woord te Zijner tijd vervuld hebben, indien zij Hem geloofd en voor de zaak hadden laten zorgen. Zij deden echter juist zoo als nu nog door vele belijders gedaan wordt, die God het werk uit de handen nemen. Rebekka heeft den verkeerden raad dan ook bitterlijk moeten betreuren; om dezer oorzaak wille moest Jakob vluchten, en zij heeft zijn aangezicht niet weder gezien. Van het oogenblik af, dat hij het recht der eerstgeboorte onvangen had, ging Jakob uit met zelfverwijt beladen. Hij had tegen zijnen vader, zijnen broeder, zijne ziel, en tegen God gezondigd. Binnen één uur had hij eene daad gepleegd, die hem geheel zijn leven lang berouwen zou. Deze gebeurtenis stond hem later nog levend voor den geest, toen de booze wandel zijner zonen hem kwelde.PEP 167.4

    Nauwelijks had Jakob zijns vaders tent verlaten, of Ezau kwam binnen. Niettegenstaande hij het recht zijner eerstgeboorte verkocht en met eenen eed bezegeld had, was hij nu toch vast van voornemen om de zegeningen te erven, ondanks zijns broeders aanspraak daarop. Aan het geestelijke was het tijdelijke recht verbonden, waardoor hij het hoofd van het geslacht werd en hem tevens een dubbel aandeel van zijns vaders bezittingen ten deele viel. Deze zegeningen kon hij waardeeren. “Mijn vader sta op en ete van het wildbraad zijns zoons,” zeide hij, “opdat uwe ziel mij zegene.”PEP 168.1

    Toen de blinde, oude vader gewaar werd, dat men hem bedrogen had, verschrikte hij met eene zeer groote verschrikking. Zijne lang-gekoesterde hoop was verijdeld, en hij begreep ten volle hoe zijn oudste zoon zich teleurgesteld moest gevoelen. Evenwel had hij de overtuiging, dat God in Zijne voorzienigheid hem in zijn voornemen verhinderd had, en juist datgene tot stand had gebracht, dat hij had willen beletten. Hij herinnerde zich de woorden van den engel aan Rebekka, en niettegenstaande Jakob zich bezondigd had, moest hij toch erkennen, dat de jongste zoon de geschikste was voor het ten uitvoer brengen van Gods besluiten. Bij het uitspreken van den zegen had de Geest der inspiratie hem bezield; en nu hij de gansche zaak goed begreep, bekrachtigde hij den zegen, dien hij in zijne onwetendheid over Jakob had uitgesproken door te zeggen: “Ik heb hem gezegend: ook zal hij gezegend wezen.”3Gen. 27:33.PEP 168.2

    Ezau had den zegen geminacht, toen hij in zijn bereik lag, maar nu hij voor eeuwig van hem weggenomen was, begeerde hij denzelven. Zijne hartstochtelijke natuur brak in onstuimigheid los, en zijn verdriet werd in een bitteren haat veranderd. Hij schreeuwde met eenen grooten en bitteren schreeuw: “Zegen mij, ook mij, mijn vader!” “Voorts zeide hij: Hebt gij dan geenen zegen voor mij uitbehouden?” De belofte was weggegeven en kon niet weder worden ingetrokken. De op zoo’n onverschillige wijze verkochte eerstgeboorte kon niet teruggekocht worden. Voor “eene spijze,” omdat hij zijne nooit beteugelde lusten niet een oogenblik onder bedwang kon houden, verkocht Ezau zijne erfenis; en toen hij zijne dwaasheid inzag, was het te laat om den zegen te herkrijgen. “Hij vond geene plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.”4Hebr. 12:17. Ezau had Gods gunst wel kunnen verkrijgen door zich te bekeeren, maar de zegeningen, die aan de eerstgeboorte verbonden waren, lagen nu voor immer buiten zijn bereik. Zijn berouw ontstond niet uit een smartgevoel over de zonde; hij verlangde niet met God verzoend te zijn. Hij was over de gevolgen en niet over de zonde zelf bedroefd.PEP 168.3

    Uithoofde van zijne onverschilligheid ten aanzien van de Goddelijke zegeningen en eischen, wordt Ezau eenen “onheilige” genoemd in de Schrift. Hij is het type dergenen, die de door Christus verkregene verlossing versmaden, en gereed zijn hunne hemelsche erfenis prijs te geven voor de vergankelijke dingen dezer aarde. Velen bekommeren zich alleen om het tegenwoordige en denken niet om de toekomst. Zij openbaren Ezau’s geest door te zeggen: “Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.”51 Cor. 15:32. Zij worden door hunne geneigdheden beheerscht; en liever dan zich zelfverloocheningen te getroosten, geven zij de belangrijkste belooningen prijs. Indien van een van beide afstand moet worden gedaan, de bevrediging der verdorvene lusten of de hemelsche zegeningen, die enkel op voorwaarde van zelfverloochening en godsvrucht verkrijgbaar zijn, dan laat men de lusten botvieren, en veracht men werkelijk zoodoende God en den hemel. Hoe velen, die zich voor Christenen uitgeven, maken zich aan overdaad schuldig, waardoor de gezondheid benadeeld en de gevoeligheid der ziel verstompt wordt. Wanneer zij bij hunnen plicht worden bepaald, betreffende het reinigen van de onreinheden des vleesches en van den ouden mensch, om tot de volmaaktheid in de vreeze Gods voort te varen, dan zijn zij geraakt. Zij begrijpen wel, dat zij zulke schadelijke genietigingen niet bij de hand houden en er mede naar den hemel kunnen gaan, en daarom besluiten zij maar niet langer op het smalle pad te wandelen, dat ten eeuwigen leven leidt.PEP 169.1

    Velen verkoopen hunne eerstgeboorte voor het zingenot. De gezondheid wordt opgeofferd, de geestvermogens verzwakt, en de hemel verbeurd; en dat doet men voor een tijdelijk genot, — voor eene bevrediging der lusten, waardoor het karakter beide verzwakt en verlaagd wordt. Gelijkerwijs Ezau de dwaasheid zijner onbezonnene daad eerst inzag, toen het te laat was om het verlies weder in te halen, zoo zal het ook in den dag des Heeren gaan met hen, die hunne hemelsche erfenis voor de bevrediging hunner lusten, verkocht hebbenPEP 170.1

    * * * * *

    Larger font
    Smaller font
    Copy
    Print
    Contents